De energietransitie is één van de maatschappelijk opgaven die ruimte vraagt. Ruimte is in Nederland schaars. Voordat keuzes kunnen worden gemaakt over het realiseren van locaties voor duurzame opwek via zon, of wind en de bijbehorende infrastructuur, moet duidelijk zijn welke effecten hiervan zijn te verwachten op natuur, milieu en landschap. De plan-MER kan daarbij behulpzaam zijn.
De plan-MER richt zich primair op het onderdeel ‘ambitie’. Het onderdeel ‘huidig’ is vanzelfsprekend al gerealiseerd. Bij het onderdeel ‘pijplijn’ is al een locatieafweging gemaakt. Daarbij zijn de effecten voor natuur, milieu en landschap al betrokken, al dan niet via een plan- of project-MER. De cumulatieve effecten van deze ‘pijplijn-projecten’ moeten worden meegenomen in de MER. Zoals in bovenstaand plaatje te zien hebben veel RES’en een grote ambitie. Deze ambitie moet de komende tijd ruimtelijk worden vertaald. Als regio bepaal je samen met de omgeving waar zonne- en windenergie het best kan komen en welke voorwaarden aan plaatsing worden verbonden. Die keuzes worden door de afzonderlijke bevoegd gezagen verankerd in de instrumenten van de Omgevingswet. Het aandeel ‘ambitie’ kan worden beïnvloed door diverse triggers voor herijking (zie paragraaf ‘aanleiding’).
Het is van belang om bij het concretiseren van de ambities expliciet te maken wat de rol van de RES-regio is. Het PBL maakt in dat verband onderscheid tussen vier basisvarianten voor het procesontwerp, waarbij ofwel de gemeenten, of de regio’s voorgaan, ofwel de zoekgebieden of de ambitie voorop staan (zie onderstaande figuur). Meer concreet gaat het dan om de sturingsfilosofie (bestaat uit de gekozen overheidsrol en de daaruit voortvloeiende instrumentenmix). voor het realiseren van de ambities voor duurzame energie. In de paragraaf ‘planning, tijdlijn en urgentie’ komt deze sturingsfilosofie nader aan de orde.