Georganiseerde tegenstand, last of kans?
Als je ooit te maken hebt gehad met georganiseerde burgerlijke tegenstand, weet je hoe pittig dat kan zijn.
Bezwaarschriften, kritische artikelen in de krant, felle mails of zelfs bedreigingen via sociale media – het is nooit fijn om die over je heen te krijgen. Zeker niet als je met de beste bedoelingen aan een project werkt. Toch is het belangrijk om die tegenstand niet alleen als lastig te zien, maar ook als waardevol. Het is vaak een signaal, en soms zelfs een kans om samen betere keuzes te maken.
Wat is georganiseerde tegenstand?
Georganiseerde tegenstand ontstaat vaak als mensen zich niet gehoord voelen in de officiële participatieprocessen. Ze zoeken dan hun eigen weg om invloed uit te oefenen: via juridische procedures, de media, contacten met raadsleden of door het proces publiekelijk ter discussie te stellen. Sommige groepen kiezen er zelfs voor om helemaal niet meer mee te doen: een ‘participatiestaking’.
Vaak zijn deze mensen allesbehalve onwetend. Ze zijn juist goed op de hoogte, betrokken en bereid zich vast te bijten in het onderwerp. Hun bezwaren komen niet uit het niets, maar zijn gebaseerd op hun dagelijkse leven, eerdere ervaringen met de overheid, zorgen over de lokale gevolgen, of een sterk rechtvaardigheidsgevoel. Dat botst soms met het overheidskader, dat vooral kijkt naar experts, procedures, beleidsdoelen en abstracte afwegingen.
Interview met Bart Smit, Initiatiefnemer van DeventerWint
“We zijn niet tegen wind, maar voor gezondheid en een zorgvuldig proces”
In het publieke debat worden tegenstanders van windturbines vaak weggezet als “klagers” of “Not In My Backyard”-types. Maar wie echt in gesprek gaat, hoort vaak een veel genuanceerder verhaal. Bart Smit, een van de drijvende krachten achter burgerinitiatief DeventerWint, vertelt hoe hij in het dossier rolde en waarom hij zich inzet voor gezondheid, zorgvuldigheid en dialoog.
Hoe ben jij eigenlijk in dit onderwerp terechtgekomen?
“Dat begon eind 2020. De gemeente organiseerde bijeenkomsten om uit te leggen wat de Regionale Energiestrategie, de RES, voor Deventer zou betekenen. Dat was op zich goed bedoeld: mensen informeren, laten meedenken. Alleen: in onze wijk kwam dat vrij laat op gang. En precies in die periode was de gemeente ook bezig met een windverkenning – een onderzoek naar waar windturbines eventueel zouden kunnen komen. Daar zaten al meteen keuzes in: van 15 mogelijke gebieden werd het teruggebracht naar 3 of 4, en die lagen vlak bij onze wijk.”
En dat wekte argwaan?
“Ja, de boodschap werd gebracht alsof het al min of meer rond was: de RES betekent hier windturbines. Wij schrokken daar wel van. In eerste instantie dacht ik: prima, hernieuwbare energie, dat is belangrijk. Maar toen zijn we gaan lezen over de effecten. Geluidsoverlast, slagschaduw, slaapproblemen... Er kwam veel op ons af waar we geen idee van hadden.”
Wat deden jullie toen?
“Eerst wilden we gewoon onze zorgen kenbaar maken. Maar je leert snel dat dat niet zo eenvoudig is. Op de windverkenning zelf was het onduidelijk of we een zienswijze mochten indienen. Dus toen hebben we ons verdiept in hoe het werkt, zijn we met buurtbewoners aan de slag gegaan en hebben uiteindelijk 650 zienswijzen ingediend. Dat was een gigantische klus. Daarna hebben we een stichting opgericht, zodat we formeel konden meepraten én als het nodig was juridische stappen konden zetten.”
Veel mensen stellen zich anti-windgroepen voor als boze mensen met spandoeken. Klopt dat beeld?
“Zo simpel is het niet. We hebben in het begin heel bewust gezegd: we gaan niet alleen roepen dat we ergens tegen zijn, we gaan ook alternatieven aandragen. We hebben zelfs een alternatief plan geschreven. Natuurlijk waren er ook actiemomenten, maar vooral veel gesprekken met raadsleden, ambtenaren, wethouders. Urenlange gesprekken, avond aan avond. We hebben geprobeerd in dialoog te blijven. Maar je ontkomt er niet aan dat mensen je op een gegeven moment als ‘die tegenpartij’ zien.”
Wat is voor jullie het belangrijkste punt van zorg?
“Gezondheid. Dat is echt onze grootste zorg. Er zijn onderzoeken die zeggen: er is geen direct bewijs dat windturbines gezondheidsproblemen veroorzaken. Maar indirecte effecten, zoals chronische slaapproblemen, zijn wel degelijk aangetoond. Het RIVM doet nu opnieuw onderzoek, maar zolang dat niet klaar is, zeggen wij: wees voorzichtig. Hanteer het voorzorgsbeginsel, zoals Europese regels dat ook voorschrijven. Je bouwt toch ook geen flat zonder te weten of hij veilig is?”
Waar liep het volgens jou mis in het proces?
“Er is veel onduidelijkheid en versnippering. De RES is geen juridisch kader, je kunt er geen bezwaar tegen maken, maar het wordt wel gebruikt als richtinggevend verhaal: ‘het moet van de RES’. Tegelijkertijd zegt het Rijk: het is aan gemeenten en provincies. En op lokaal niveau schuiven ze het weer terug naar de provincie. Het gevolg is dat je als burger geen idee hebt bij wie je moet zijn. Dat maakt het frustrerend.”
Is het alleen maar frustratie? Of heb je ook positieve ervaringen opgedaan?
“Ja hoor. We hebben ook heel veel constructieve gesprekken gehad. En je merkt dat sommige raadsleden of ambtenaren echt willen luisteren. Er was ook het plan om de kwestie over grootschalige opwek voor te leggen aan een burgerberaad over klimaat, daar stonden wij helemaal niet negatief tegenover. Juist dat soort initiatieven kunnen helpen om het gesprek breder te voeren.”
Wanneer zou je zeggen: nu is het in balans?
“Als er duidelijke, wetenschappelijk onderbouwde normen zijn. Als er serieus veldonderzoek is gedaan naar effecten op de gezondheid, niet alleen literatuuronderzoek. En als het proces transparant is, zodat mensen weten waar ze aan toe zijn. Dan kun je misschien nog steeds tot de conclusie komen dat wind nodig is, maar dan is het in elk geval zorgvuldig afgewogen.”
Had het anders gekund, denk je?
“Ja, zeker. Als de gemeente vanaf het begin opener was geweest over de afwegingen, en als er ruimte was geweest om echt mee te denken in plaats van alleen reageren, dan was het misschien wel anders gelopen. En als je mensen serieus neemt in hun zorgen, voorkom je dat ze zich tegen het hele proces keren. Wij hadden graag in een echte dialoog gezeten, waarin we samen zoeken naar oplossingen. In plaats daarvan voelde het vaak alsof we alleen maar moesten bijsturen op iets dat al besloten was.”
Take-aways uit dit interview
- Georganiseerde groepen met tegenstanders bestaan vaak uit mensen die mee willen denken over alternatieven en in gesprek willen blijven.
- Veel tegenstanders benoemen het voorzorgsbeginsel, ga daar een serieus gesprek over aan. En zorg dat er een duidelijk loket of aanspreekpunt is voor mensen.
- Geef niet het gevoel dat ze alleen nog kunnen bijsturen op iets dat al besloten was.
- Transparante procedures (wie beslist, wanneer inspraak, etc.) versterken legitimiteit.
Wie zijn deze kritische burgers?
Het beeld van de onwetende of irrationele burger klopt niet. Kritische burgers zijn vaak goed geïnformeerd, al komt hun kennis uit andere bronnen dan beleidsnota’s of expertadviezen. Ze brengen lokale kennis in, zien risico’s die beleidsmakers over het hoofd kunnen zien en houden het proces scherp. Ze zijn geen klagers om het klagen, maar mensen met een sterke betrokkenheid. Juist omdat zij geraakt worden, steken ze hun nek uit.
Waarom doet tegenstand pijn?
Tegenstand raakt je persoonlijk. Je hebt misschien maandenlang aan iets gewerkt en dan krijg je ineens bakken kritiek over je heen. Zeker als die kritiek gepaard gaat met wantrouwen of beschuldigingen, kan dat frustrerend of ontmoedigend zijn.
Toch is het belangrijk om niet in de reflex te schieten van verdedigen of terugduwen. Achter die boosheid zit vaak machteloosheid of het gevoel iets te verliezen: zeggenschap, leefbaarheid, of vertrouwen. Als je de moeite neemt om daar doorheen te luisteren, voorkom je dat het conflict verder oplaait, en ontdek je soms juist wat je zelf over het hoofd hebt gezien.
Hoe uit georganiseerde tegenstand zich?
Je herkent georganiseerde tegenstand bijvoorbeeld aan:
- Bezwaarschriften, zienswijzen of rechtszaken
- Kritische artikelen of social media-acties
- Direct contact met raadsleden of bestuurders
- Oproepen tot participatiestaking
- Twijfel over onderzoeksrapporten of het participatieproces
- Dreigementen met juridische stappen
- Een discussie die steeds minder over de inhoud gaat en steeds meer over vertrouwen, rechtvaardigheid of eerdere gebeurtenissen
Zeven tips: wat kun je doen?
1. Erken andere perspectieven
Geef ruimte aan afwijkende meningen. Juist kritiek helpt je om blinde vlekken in je beleid te ontdekken.
2. Luister met oprechte interesse
Vraag wat mensen drijft. Wat raakt hen? Welke eerdere ervaringen spelen mee? Weersta de neiging om meteen oplossingen te geven; stel eerst vragen en probeer echt te begrijpen.
3. Pas je aanpak aan als dat nodig is
Werkt je huidige aanpak niet? Zoek dan naar een andere weg. Geef niet op als het contact lastig is. Zorg dat er een duidelijke plek, moment en vorm is waar vertegenwoordigers van ‘tegenwind’-groepen zich kunnen uitspreken. Het kan helpen om voor- en tegenstanders goed in evenwicht te houden en niet in een zaaltje vol met alleen boze mensen te zitten.
4. Zorg voor een eerlijk proces
Wees duidelijk over het doel van participatie en wat er met de inbreng gebeurt. Leg uit waarom je bepaalde keuzes maakt, ook als dat betekent dat je niet alles kunt overnemen. Respect is essentieel. Ook in praktische dingen als de locatie en het tijdstip van bijeenkomsten.
5. Wees eerlijk over onzekerheden
Mensen hebben vaak meer vertrouwen in eerlijke onzekerheid dan in gepolijste zekerheid. Vertel dus ook wat je nog niet weet of wat risico’s kunnen zijn. Zijn bepaalde beslissingen juist al gemaakt, leg dat dan ook helder uit. Wees een duidelijke overheid, dan is de kans groter dat de tegenbeweging klein blijft.
6. Wees je bewust van je eigen bril
Je ziet de wereld vanuit je rol als ambtenaar of projectleider. Maar dat perspectief is niet het enige geldige. Probeer actief te luisteren naar wat niet in je beleidskaders past.
7. Leer van weerstand
Zie weerstand niet als tegenwerking, maar als een vorm van feedback. Het vertelt je waar beleid schuurt met belangen of waarden.
Wat kun je beter laten?
- Bagatelliseer zorgen niet met verwijzingen naar procedures of experts.
- Bestempel burgers niet als lastig, irrationeel of “tegen alles”.
- Veronderstel niet dat ze geen dialoog willen.
- Zie kritiek niet als persoonlijke aanval, maar als kans om het proces beter te maken.
- Verstop onzekerheden of nadelen van beleid niet. Transparantie wekt meer vertrouwen dan een mooi verhaal.
Een duidelijke halt
Er is een verschil tussen enerzijds redelijke mensen met grote weerstand tegen windenergie, die wel binnen de wet blijven, en anderzijds mensen die in allerlei opzichten grensoverschrijdend te werk gaan. Als je te maken krijgt met buitensporige agressie of bedreigingen, kan luisteren en het contact opzoeken soms helpen. Toch zijn er gevallen waarbij je een duidelijke grens moet stellen omdat het gedrag alle perken te buiten gaat en er onevenredig veel energie gaat naar één inwoner. Dit kan bijvoorbeeld zijn na duidelijke bedreigingen onmiddellijk aangifte te doen bij de politie. Heldere kaders, omgangsvormen en spelregels kunnen aan de voorkant helpen en moeten vervolgens veelvuldig herhaald worden.
Wat levert het je op?
Als je erin slaagt om ook met kritische (groepen) burgers in gesprek te blijven, kan dat verrassend waardevol zijn. Ze brengen lokale kennis en praktijkervaring mee die jouw beleid beter maakt. Door samen feiten te verzamelen (bijvoorbeeld via citizen science) of plannen concreet te maken met visualisaties, ontstaat meer begrip en soms zelfs meer draagvlak. Bovendien laat je zien dat je een overheid bent die luistert; ook als mensen het oneens met je zijn. En dat is misschien wel het belangrijkste fundament voor duurzame besluiten.
Interview met Peter de Vries, Universitair docent Psychologie van Conflict, Risico en Veiligheid
“Mensen veranderen niet door te schreeuwen, maar door contact”
Peter de Vries onderzoekt aan de Universiteit Twente hoe mensen omgaan met risico, onzekerheid en conflict. Hij bestudeert energiecommunities en burgerinitiatieven en ziet hoe sociale dynamiek bepaalt of samenwerking slaagt. Zijn kernboodschap: mensen veranderen niet door te schreeuwen, maar door contact.
Je doet veel onderzoek naar energie-communities. Wat vind je daar zo interessant aan?
“Voor mij draait het vooral om het sociale kapitaal: hoe bouw je een groep op die samenwerkt aan duurzame energie? Economische en technische factoren zijn belangrijk, maar sociale dynamiek bepaalt vaak of een initiatief slaagt of niet. Waarom blijven mensen meedoen? Hoe lossen ze conflicten op? Wat bindt hen als groep?”
Wat is eigenlijk een energie community?
“Dat is heel breed. Het kan gaan om buurtbewoners die samen zonnepanelen aanschaffen, een bewonerscoöperatie voor windenergie, boeren die iets met biomassa doen of een wijk die samen energie bespaart. Soms is het formeel georganiseerd, soms juist heel informeel. Het belangrijkste is: ze werken samen om CO₂-uitstoot te verminderen of energie op te wekken.”
Hoe ondersteun je zulke groepen?
“We werken nu in het project CIRCUS (Connecting Initiatives for Rural Communities Upscaling their Sustainable Energy) aan een Europese toolbox die startende energiecommunities helpt. Bijvoorbeeld door met een GIS-tool – een digitale kaart – om inzichtelijk te maken waar duurzame energieprojecten haalbaar zijn. Denk aan plekken waar wel of geen windmolens kunnen komen vanwege natuurgebieden, vliegvelden of infrastructuur. In vijf landen willen we zes initiatieven volgen om te zien hoe we ze het beste kunnen ondersteunen.”
Waarom doen mensen eigenlijk mee aan zulke initiatieven?
“Dat is een mooie vraag. Wat wij hebben gezien in de literatuur: mensen blijven langer betrokken als ze intrinsiek gemotiveerd zijn. Niet omdat ze geld willen besparen, maar omdat ze het belangrijk vinden om samen aan iets goeds te werken. Zulke mensen haken niet af zodra het project klaar is; het smaakt vaak naar meer.”
Zie je ook dat dit gedrag overslaat naar andere dingen?
“Ja, dat noemen we spillover-effecten. Iemand die zonnepanelen neemt omdat hij duurzaamheid belangrijk vindt, gaat vaak ook duurzamer reizen of eten. Als je dat doet omdat je subsidie krijgt, zie je dat veel minder. Het heeft veel te maken met identiteit: als je jezelf ziet als iemand die duurzaam leeft, wil je daar ook naar handelen. En elke stap daarin versterkt dat beeld weer.”
Tegenstanders bouwen ook een groep op, toch?
“Zeker. Actiegroepen tegen windmolens halen ook veel kracht uit hun groepsgevoel. Voor sommige mensen wordt het een belangrijk onderdeel van hun identiteit. Leden van actiegroepen vinden erkenning, bouwen vriendschappen op en halen daar zingeving uit. Als de strijd stopt, valt dat soms weg. Je ziet ook dat het steeds lastiger wordt voor groepsleden om halverwege van mening te veranderen. Mensen willen immers consistent zijn met hun groepsidentiteit.”
Heeft het zin om als kleine groep toch door te gaan?
“Absoluut. Uit onderzoek naar ‘minority influence’ blijkt dat kleine groepen, als ze vasthoudend zijn en blijven communiceren, echt verandering teweeg kunnen brengen. Denk aan de eerste vegetariërs die steeds hun verhaal bleven vertellen. Op den duur gaan mensen om hen heen meebewegen, soms zonder dat ze het zelf doorhebben. Zorg dat duurzame initiatieven zichtbaar worden. Een elektrische auto zie je op straat, dat helpt enorm bij het normaliseren van gedrag. Maar een energie community zie je niet. Die moet je dus bespreekbaar maken. Vertel het verhaal, laat mensen erover praten in buurthuizen of buurtkranten.”
En hoe voorkom je een wij-zij gevoel?
“Zoek manieren om anderen mee te laten profiteren. Een mooi voorbeeld is de Groene Mient in Den Haag, waar ze proberen om omliggende wijken ook te laten profiteren van de opgewekte energie in hun wijk, door hun stroom te delen. Dat lukt nu nog niet door de wetgeving, maar het idee is goed. Als je groepen met elkaar in contact brengt, voorkom je dat het alleen maar een exclusief clubje blijft. Dat vergroot het draagvlak én de sociale samenhang.”
Tot slot, hoe ga je om met de angst voor boze burgers?
“Boze reacties zullen er altijd zijn. Maar realiseer je dat de meeste mensen bereid zijn samen te werken. Dat zien we bij rampen ook: mensen helpen elkaar, organiseren noodhulp, zetten samen keukens op. Die kracht, ook wel collective efficacy genoemd, zie je ook bij duurzame initiatieven. Als gemeente kun je dat versterken door ruimte te geven aan burgerinitiatieven en mensen te helpen elkaar te vinden.”
Take-aways uit het interview met Peter de Vries
- Windenergie raakt aan identiteit: “wij” versus “zij” (inwoners vs. overheid/ontwikkelaar). Actiegroepen tegen windmolens halen veel kracht uit hun groepsgevoel.
- Energiegemeenschappen of lokale coöperaties kunnen helpen om een ‘in-group’-gevoel te creëren, waarbij energie opwekken een sociaal gebeuren wordt. Je ziet dat daarbinnen veel intrinsiek gemotiveerde leden zitten.
- Onderschat niet dat een kleine groep veel teweeg kan brengen, vooral als ze zichtbaar zijn en in gesprek gaan met anderen.