Frames en anti-frames rond windenergie

Als mensen praten over windmolens, gaat het gesprek vaak niet alleen over de techniek of de energieopbrengst. Het gaat ook over wat windmolens betekenen.

Voor sommigen zijn ze een symbool van vooruitgang en duurzaamheid. Voor anderen zijn ze een bedreiging voor het landschap, de gezondheid of het lokale leven. Dit verschil in betekenis ontstaat door zogenaamde frames.

Wat zijn frames?

Frames zijn brillen waardoor mensen naar een onderwerp kijken. Ze helpen ons om snel te bepalen wat belangrijk is, wie de “goeden” en “slechten” zijn, en welke oplossingen wenselijk zijn. Maar frames laten ons niet het hele plaatje zien; ze lichten sommige dingen uit en laten andere dingen weg. Zo maken ze een ingewikkeld vraagstuk overzichtelijker, maar ook gekleurder.

Bij windmolens spelen frames een grote rol in hoe mensen over deze projecten denken, praten en beslissingen nemen. Ze beïnvloeden hoe bewoners een probleem zien (bijvoorbeeld: ‘we moeten iets doen aan klimaatverandering’ of juist ‘ons landschap moet beschermd worden’). Maar ook welke emoties worden aangesproken (bijvoorbeeld trots, angst of boosheid) en hoe makkelijk mensen besluiten accepteren of zich juist gaan verzetten.

Frames ontstaan niet zomaar. Ze worden bewust of onbewust gebruikt door bedrijven, burgers, overheden en media, om hun kijk op de situatie naar voren te brengen.

Interview met Jens van der Weele, Taalstrateeg


“Windmolens zijn niet het probleem. Het echte gesprek moet gaan over ons landschap”

Windmolens zorgen vaak voor fel debat en verdeeldheid. Maar volgens taaladviseur Jens van der Weele kijken we te smal als we alleen over die turbines praten. “De echte vraag is: hoe willen we dat ons landschap eruitziet? Windmolens zijn daar maar een onderdeel van.”

Je werkt veel met ruimtelijke projecten in het buitengebied. Wat valt je op in het debat over windmolens?

“Wat mij opvalt, is dat we het gesprek heel smal voeren. Het gaat steeds over wáár je zo’n molen neerzet, maar bijna nooit over het landschap als geheel. Terwijl voor veel mensen het landschap juist is wat ze liefhebben en beschermen. Zeker in het buitengebied zien mensen zichzelf niet als bewoners van een industriële zone, maar als mensen die in de natuur wonen. Het boerenland, de weides, de bossen: dat is hún natuur. En dan voelt een windmolen als een bedreiging. Niet omdat ze tegen duurzame energie zijn, maar omdat het voor hen aanvoelt als industrie in het groen.”

Dus het gaat eigenlijk niet om die ene windmolen, maar om een gevoel van verlies?

“Ja, precies. Het frame waarin windmolens worden geplaatst, is er eentje van verrommeling en industrialisering. We gebruiken ook woorden die dat beeld versterken: ‘windparken’ klinkt als ‘bedrijvenparken’, of ‘windconfetti’, alsof je lukraak wat turbines in het landschap strooit. Maar bewoners kijken vanuit hun keukenraam naar dat landschap. Wat voor de gemeente een ‘zoekgebied’ is, is voor hen hun uitzicht, hun leefomgeving.”

Hoe kunnen we het gesprek dan breder trekken?

“We zouden eigenlijk moeten praten over het héle landschap. Niet alleen over waar die windmolen precies komt, maar over hoe we het buitengebied de komende decennia willen inrichten. Want er verandert nog veel meer. Er verdwijnen heggen en bomen, we zijn veel biodiversiteit kwijtgeraakt. Maar we kunnen ook dingen terugbrengen: meer bomen, bloeiende bermen, heggen vol vogels en insecten. Dan worden die windmolens onderdeel van een landschap dat juist rijker en levendiger wordt.”

Dat klinkt hoopvoller dan het beeld dat nu vaak overheerst.

“Ja, want nu wordt de energietransitie vaak gepresenteerd als iets dat we moeten ondergaan, iets dat van buitenaf komt. Maar stel je voor dat je samen werkt aan een landschap waar je kinderen later ook van kunnen genieten. Dan voelt het heel anders. In Twente bijvoorbeeld zijn ze trots op hun coulisselandschap: afwisselend open en beschut, met bomenrijen en doorkijkjes. Windmolens zouden daar minder opvallen dan in een kaal weiland. Maar dan moet je het landschap wél goed inrichten.”

Toch hoor je vaak vooral de tegenstanders. Waar blijven de voorstanders?

“Dat is een groot probleem. Er is vaak sociale druk in dorpen. Als bij elke boerderij een protestbord in de tuin staat, zeg dan maar eens dat je vóór bent. Veel mensen die genuanceerd denken, houden hun mond om geen ruzie te krijgen met hun buren. Zo ontstaat er een stilte. Iedereen denkt dat iedereen tegen is, terwijl er misschien een stille meerderheid is die het wel oké vindt of zelfs steunt.”

Hoe doorbreek je die stilte?

“Je hebt mensen nodig die als ‘moral rebels’ durven opstaan: mensen die zeggen ‘ik snap jullie zorgen, maar ik zie ook waarom we dit moeten doen’. Het helpt als die mensen herkenbaar zijn, uit het dorp zelf, niet een wethouder of een woordvoerder van buitenaf. En je moet mensen de ruimte geven om hun twijfels te uiten zonder dat ze meteen worden weggezet als dom of egoïstisch.”

Wat zou jij anders doen in communicatie over windenergie?

“Laat gewone mensen hun verhaal vertellen. Mensen die het proces hebben meegemaakt, die uitleggen waarom ze meededen, wat ze eraan hadden, wat ze lastig vonden. Niet een gelikt filmpje, maar een echt gesprek. Zoals bij Science Moms in Amerika, waar moeders uitleggen waarom ze klimaatmaatregelen steunen. Dat werkt beter dan een abstract verhaal over CO₂-doelen.

En vertel ook wat we wél winnen. Nu hoor je vooral over verlies: uitzicht, rust, natuur. Maar je wint ook dingen: schone energie, een levendig landschap, onafhankelijkheid. Dat verhaal moet veel zichtbaarder worden.”

Take-aways uit het interview met Jens van der Weele

  • Denk in je communicatie aan waardenframing: sluit aan bij wat mensen belangrijk vinden (gezondheid, onafhankelijkheid, veiligheid, eerlijkheid, toekomst van hun kinderen).
  • Voer echte gesprekken over het hoe en het hele landschap. Hoe kunnen we dat samen rijker en levendiger maken, met trots voor de plek?
  • Laat gewone mensen hun verhaal vertellen. Mensen die het proces hebben meegemaakt, die uitleggen waarom ze meededen, wat ze eraan hadden, wat ze lastig vonden.

Overzicht: van frame naar herframe

Wat zijn veelvoorkomende frames, wat ligt daaraan ten grondslag en hoe kun je je dit herframen? Een overzicht met veelvoorkomende frames.

Overzicht: van frame naar herframe

Beschrijving van Overzicht: van frame naar herframe

Overzicht: van frame naar herframe

Stappenplan

Hieronder volgt een stappenplan om met frames om te gaan in gesprek met omwonenden.

Stap 1. Herken het anti-frame

Weerstand tegen windenergie komt zelden zomaar uit de lucht vallen. Vaak ligt er een dieperliggend anti-frame onder: een manier van kijken die bepaalt wat mensen opvalt, hoe ze dat interpreteren en welke emoties dat oproept. Je ziet grofweg drie bekende frames terugkomen in discussies over windmolens.

  • Allereerst is er het Nimby-frame (“Not In My Backyard”), dat draait om lokale zorgen. Bewoners voelen zich onrechtvaardig behandeld en ervaren dat hun leefomgeving wordt opgeofferd zonder dat zij daar invloed op hebben. Gezondheidszorgen – zoals stress, slapeloosheid of angst voor infrageluid – spelen een rol, net als de wens om het landschap te beschermen, uit liefde voor de plek waar ze wonen. Dit frame roept vooral gevoelens op van liefde voor de omgeving, angst voor aantasting en boosheid richting overheden of bedrijven. Die zorgen zijn niet per definitie irrationeel, maar laten vooral de pijnlijke kanten van de energietransitie zien.
  • Een tweede frame is het populistische frame, waarin windmolens worden neergezet als een bedreiging van buitenaf. Ze worden gepresenteerd als gevaarlijk voor mens, dier en landschap, vaak met beeldtaal als “monsterlijke reuzen” of “dwang vanuit Den Haag of Brussel”. De boosheid richt zich niet op concrete beleidsmaatregelen, maar op vaag gedefinieerde tegenstanders zoals de windlobby, de elite of groene politici. Dit frame raakt gevoelens van machteloosheid, verlies en verdriet bij mensen die zich al langer niet gehoord voelen in maatschappelijke veranderingen.
  • Het derde frame komt juist van mensen die zich inzetten voor natuur en milieu: het ecologische frame. Vanuit deze hoek wordt gewezen op gevaren voor vogels, vleermuizen en ecosystemen, die volgens hen onvoldoende worden erkend. De toon is meestal rationeel, met verwijzingen naar wetenschappelijk onderzoek, maar daarachter schuilt een diepe zorg om de natuur. De boodschap is helder: bescherm kwetsbare natuurgebieden, zelfs als dat betekent dat de energietransitie lastiger wordt.

Stap 2. Sluit aan bij waarden, niet bij meningen

Feiten botsen vaak met diepgewortelde waarden en identiteiten. Daarom is het weinig effectief om mensen te overtuigen met cijfers en rapporten. Beter is het om aan te sluiten bij wat mensen zelf belangrijk vinden: veiligheid, verbondenheid, rechtvaardigheid, zorg voor familie, bescherming van natuur of trots op de lokale gemeenschap.

Zo kun je bijvoorbeeld laten zien dat windenergie bijdraagt aan energie-onafhankelijkheid – iets wat in tijden van oorlog en geopolitieke spanningen ineens heel tastbaar wordt. Als we lokaal energie opwekken en delen, hebben we minder infrastructuur nodig en houden we zelf de regie. ‘We houden onze eigen broek op’. Daarnaast zorgt netcongestie lokaal voor prangende problemen die opgelost kunnen worden met onder andere windenergie. Zonder energie gaat het licht immers niet meer aan in die nieuwbouwwoningen. We staan tien jaar stil óf we gaan zelf aan de slag. Zulke boodschappen spreken aan op waarden als onafhankelijkheid, samenredzaamheid, vooruitgang en zorg voor elkaar.

Als gesprekspartner kun je laten zien hoe windenergie deze waarden ondersteunt, ook als je niet alle zorgen weg kunt nemen. Het helpt om het verschil te herkennen tussen rationele bezwaren (bijvoorbeeld: hoe hard maakt die molen geluid?) en bezwaren die voortkomen uit identiteit of waarden (bijvoorbeeld: voelt deze plek nog wel als thuis?).

Stap 3. Prikkel reflectie in plaats van discussie

Mensen veranderen zelden van mening doordat ze een discussie verliezen. Maar als je ze uitnodigt om zelf na te denken over hun overtuigingen, ontstaat er ruimte voor twijfel en nuancering. In de psychologie heet dat ‘elaboration’.

Je kunt dit stimuleren door open vragen te stellen zoals: “Hoe weet u dat eigenlijk zeker?” of “Hoe zou u dat uitleggen aan een kind?” Geef mensen de ruimte om hun eigen verhaal te vertellen en laat ze hardop redeneren. Ook groepsgesprekken waarin mensen elkaars mening bevragen en spiegelen, helpen om vaststaande overtuigingen los te weken.

Interessant is dat mensen hun standpunt vaak matigen als ze merken dat hun kennis minder diep is dan ze dachten. Dit fenomeen heet de ‘illusion of explanatory depth’: we denken dat we iets goed begrijpen, maar bij nadere uitleg blijkt onze kennis vaak oppervlakkig. Door iemand te vragen zijn standpunt stap voor stap uit te leggen, help je hem of haar om dat zelf te ontdekken.

Stap 4. Onderzoek hoe iemand iets weet

Soms hebben mensen sterke overtuigingen die niet zozeer rusten op feiten, maar op hun gevoel van zekerheid. In plaats van direct de inhoud te bestrijden, kun je vragen naar het denkproces erachter: hoe is iemand tot die overtuiging gekomen?

Daarvoor bestaan verschillende gesprekstechnieken, zoals deep canvassing (luisteren met empathie), street epistemology (onderzoeken wat iemand als bron van zijn kennis ziet) of motivational interviewing (ambivalentie bespreekbaar maken). Het doel is niet per se om iemand direct van mening te laten veranderen, maar om hem of haar te helpen kritisch na te denken over diens eigen standpunt.

Als gespreksvoerder helpt het om verkennende vragen te stellen en niet direct elk argument te weerleggen. Zodra je de strijd aangaat over feiten, versterk je vaak juist het frame waarin die feiten passen. Laat je niet verleiden om te reageren op wat niet waar is en vanuit dat frame te praten, want hiermee versterk je het juist. Houd je eigen lijn vast door niet mee te gaan in fabels of feitendiscussies. Reageer vanuit wat jij wél weet en kunt uitleggen: het proces, de beschikbare kennis en de onzekerheden. Door rustig terug te keren naar jouw kernboodschap blijft het gesprek helder, eerlijk en respectvol, ook als de ander ergens anders over begint. Dit geldt ook voor geschreven communicatie.

Stap 5. Stem je verhaal af op je publiek

Het kan nodig zijn om jouw eigen boodschap tegenover een antiframe te zetten. Verval niet in de valkuil dat je het antiframe gaat ontkennen of ontkrachten, maar vertel een krachtig eigen verhaal (herframe). Een goede boodschap sluit aan bij het vertrouwen, de identiteit, de betrokkenheid en het kennisniveau van je publiek. Dat betekent dat je eerlijk bent over onzekerheden, tegenargumenten niet uit de weg gaat (dit kan in de vorm van ‘stealing thunder’ of prebunking) en uitlegt waarom jij of anderen toch tot een andere conclusie komen.

Gebruik begrijpelijke taal en visuele hulpmiddelen om het verhaal dichtbij te brengen. En wees alert op woorden die weerstand oproepen bij ideologisch gevoelig publiek. Woorden als ‘klimaatcrisis’ of ‘Green Deal’ kunnen bij sommige doelgroepen eerder afstand creëren dan verbinding.

Soms kan het goed zijn om juist anderen aan het woord te laten. Verschillende boodschappers helpen het vraagstuk op een andere manier te framen, en brengen andere argumenten ter tafel. Zorg dat het verhaal niet alleen vanuit ‘de overheid’ komt, maar ook bijvoorbeeld van bekenden in de buurt. Veel mensen voelen zich nu niet aangesproken of welkom, omdat de groep betrokkenen een homogene groep is.

Stap 6. Creëer ruimte voor offline groepsgesprekken

Mensen passen hun mening sneller aan in een gesprek met anderen dan wanneer je hen één op één probeert te overtuigen. In een groep herkennen mensen makkelijker de denkfouten van anderen en dat maakt het veiliger om zelf van standpunt te veranderen, zonder gezichtsverlies.

Daarom is het waardevol om bijeenkomsten te organiseren waarin verschillende mensen hun mening kunnen delen. Het helpt als dat niet online gebeurt, want online discussies leiden vaak tot meer polarisatie. Geef in die gesprekken ruimte voor verhalen en persoonlijke ervaringen – die zijn vaak veel krachtiger dan meningen alleen.