Bijlage 2 Bepaal de criteria
Voor een verdelingsprocedure die bestaat uit een vergelijkende toets, moeten de vergelijkingscriteria worden vastgesteld. Dat kunnen niet zomaar alle criteria zijn.
Op grond van het legaliteitsbeginsel en het specialiteitsbeginsel kunnen bestuursorganen immers alleen opereren binnen de kaders van de bevoegdheden waarover zij beschikken. Een bestuursorgaan mag bij vergunningverlening alleen de belangen afwegen die rechtstreeks bij het besluit betrokken zijn en die de desbetreffende regeling beoogt te beschermen. Bevoegdheden mogen niet worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor de bevoegdheid door de wetgever is gegeven. De Wet ruimtelijke ordening strekt tot een goede ruimtelijke ordening. De Omgevingswet gaat over de fysieke leefomgeving en activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving.
De Wet ruimtelijke ordening strekt tot een goede ruimtelijke ordening. De rechtspraak laat zien dat de verdeling van schaarse omgevingsvergunningen via een vergelijkende toets op zich mogelijk is, mits de toegepaste criteria ruimtelijk relevant zijn. Daarbij kan gedacht worden aan: landschap, natuur, geluid, veiligheid, gezondheid en cultuurhistorische waarden. De Omgevingswet gaat over de fysieke leefomgeving en activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. De fysieke leefomgeving omvat in ieder geval de bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed.
In dit verband dient te worden gewezen op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 21 november 2018 die zag op de vraag aan welke criteria een vergunningaanvraag voor een evenement kan worden getoetst. Deze uitspraak benadrukt dat de vergunning alleen geweigerd kan worden vanwege motieven die tevens ten grondslag liggen aan het instellen van de betrokken vergunning. De vergunningen voor de evenementen konden dus niet worden verdeeld aan de hand van het inhoudelijke criterium of een evenement de gewenste culturele uiting had.
De vraag of (financiële) participatie onderdeel mag zijn van de vergelijkingscriteria laat zich niet eenvoudig beantwoorden. De rechtspraak biedt hierover nog geen duidelijkheid. Uit de rechtspraak blijkt wel dat gemeenten en provincies in beleid een inspanningsverplichting kunnen opnemen, waarmee wordt aangestuurd op een zorgvuldig participatieproces. Als initiatiefnemers vervolgens onvoldoende inspanningen verrichten, dan kan dat voor gemeenten en provincies reden zijn de gewenste planologische medewerking niet te verlenen. Er is nog geen rechtspraak voorhanden die laat zien of een vergelijkingscriterium van een maatschappelijke tender betrekking kan hebben op een inspanningsverplichting om initiatiefnemers te bewegen een zorgvuldig participatieproces te doorlopen.
Uit de rechtspraak blijkt dat duidelijke en ondubbelzinnige criteria moeten worden geformuleerd, zodat aanvragers hun verzoek hierop kunnen afstemmen. Bovendien moet het gaan om objectieve criteria, zodat achteraf geen twijfel kan bestaan over de vraag of wel of niet aan een criterium wordt voldaan. Gelet daarop lijkt het mogelijk een criterium te formuleren, waardoor initiatieven zonder enige intentie om een participatieproces te doorlopen, lager worden gerangschikt. Of een beter participatieplan ook kan leiden tot een hogere ranking, is op dit moment niet zeker. Ook het voorschrijven van een lokale energiecoöperatie, zal nader onderzoek vergen in het licht van de Unierechtelijke verplichtingen.