Stap 1: Actualisatie
De eerste stap is gericht op het actualiseren van de inventarisatie met eventuele aanvullende of geactualiseerde gegevens, specifiek de inzichten en plannen die in de Warmteprogramma’s van de gemeenten zijn/worden opgenomen.
De warmtetransitie is in ontwikkeling en op dit moment zijn de randvoorwaarden voor de uitrol van warmtenetten nog niet op orde. Veranderingen in (landelijke) wet- en regelgeving en met name financiële instrumenten kunnen leiden tot nieuwe inzichten en aanpassing van de ingezette koers. In die zin moet de RSW ook als een dynamisch document beschouwd worden.
De onderdelen van stap 1 kunnen als volgt gevisualiseerd worden:
In veel regio’s is een uitgebreide inventarisatie eerder uitgevoerd. Controleer deze inventarisatie op actualiteit en ga na of dit voldoende inzicht geeft in bovenlokale afhankelijkheden. Belangrijk is het om nieuwe ontwikkelingen mee te nemen in de actualisatie.
Bestaande (herijkte) inventarisaties zoals de warmteatlas en de startanalyse van PBL zijn ondersteunend aan deze inventarisatie. Belangrijker is echter de inzichten vanuit de gemeenten te hanteren. Daarnaast is het essentieel om de verwarmingsvraag en warmteaanbod van de sectoren buiten de gebouwde omgeving (bijvoorbeeld industrie, glastuinbouw) te inventariseren. Het meenemen van deze sectoren kan immers positief bijdragen aan de warmtetransitie. Zo kent het warmteprofiel van een gebied met zowel glastuinbouw als gebouwde omgeving een hogere basislast (minder pieken), dan gebieden die bestaan uit alleen gebouwde omgeving. Hierdoor wordt het bijvoorbeeld (economisch) aantrekkelijker om geothermie als bron te gebruiken.
De actualisatie in stap 1 omvat de volgende tussenstappen:
De regionale verwarmingsvraag
Het gaat hierbij om de totale vraag in de regio naar energie voor verwarming (inclusief warm tapwater) met – in het ideale geval - onderscheid naar de energiedragers en naar basis - en piekvoorziening. Zie onderstaande figuur, uit de notitie “Werking van warmtenetten” van de regio Rotterdam/Den Haag
- Het is de bedoeling om inzicht te krijgen in de optelsom van de lokaal gekozen oplossingsrichtingen tot 2030/2035 en een algemeen beeld tot 2050. Hierbij gaat het over zowel de gebouwde omgeving (Warmteprogramma) als over de plannen van de glastuinbouw en overige bedrijvigheid (bijvoorbeeld bedrijventerreinen en industriële clusters). Idealiter bestaat dit inzicht zowel uit een cijfermatige analyse als uit een geografisch overzicht (kaart). De actualisatie richt zich op wat er nu al aan richting is gekozen en hoe de lokale plannen zich verhouden tot eventueel aanwezige regionale en provinciaalse toekomstbeelden.
Onderdeel van deze analyse is ook de verwachte (of geambieerde) daling van de warmtevraag door isolatie(programma's), de mate waarin de warmtevraag elektrificeert en eventueel de koelingsvraag. Voor meer informatie over koeling zie bijvoorbeeld het informatieblad koudevraag in de gebouwde omgeving van PBL.
Het energieaanbod
- Actualiseren van aanbod van energiebronnen met onderscheid naar energiedragers en de manier waarop zij invulling kunnen geven aan de basis - en/of piekvraag. Het gaat om het krijgen van een voor de regio relevant overzicht door het samenvoegen van de verschillende plannen en onderzoeken. De mate van detail zal per regio verschillen. In de factsheet warmte van NP RES staan de meest voorkomende energiebronnen en opslagtechnieken omschreven.
- Maak in de inventarisatie onderscheid naar de drie dragers warmte, brandstof en elektriciteit:
Warmte
inventariseer de potentie van geothermie, restwarmte, (centrale of decentrale) zonthermie en aquathermie in de regio. Leg nadruk op die bronnen die bovengemeentelijk karakter(2) hebben (wat, waarom, hoeveel). Als de lokale bronnen in de ’warmteprogramma’s nog niet zijn geïnventariseerd, neem dit dan ook mee (wanneer mogelijk). Door onderscheid te maken in de temperaturen van de verschillende bronnen en hoe deze bronnen ingezet kunnen worden (basis, mid en/of piek), groeit het inzicht in wat er mogelijk is. Inventariseer daarnaast de (on)mogelijkheden van seizoensopslag (WKO, thermische opslag in de ondergrond of in tanks) en eventuele koude voorziening in het geval van lage temperatuur netten.
Informatie over (de potentie van) warmtebronnen is o.a. te vinden via:
- Factsheet Warmte - NP RES
- Hoe ontwikkel je duurzame warmtebronnen?
- Geothermie Nederland - Aardwarmte, een onmisbare bron van energie
- Potentiële restwarmtebronnen - Nationale Energie Atlas
- Reflectie op Cluster Energiestrategieën 2024 (CES 3.0) - PBL
- Startanalyse aardgasvrije buurten - PBL
Uiteindelijk is het warmtebedrijf verantwoordelijk voor de bron en zal nader onderzoek nodig zijn om te bepalen of en welke bronnen geschikt zijn.
Brandstof
Uitgangspunt is het toepassen van het begrip exergie: hoogwaardige energie zoveel mogelijk hoogwaardig inzetten. Voor groen gas wordt landelijk uitgegaan van een beoogde productie van 2 miljard m3 groengas in 2030. Inventariseer de potentiële beschikbaarheid van duurzame biogrondstoffen in de regio, zoals GFT-afval, agrarische reststromen, reststromen uit de voedsel - en genotsmiddelenindustrie, dierlijke mest, zuiveringsslib en houtafval (B -hout) en inventariseer de groen gas productiepotentie (door rekening te houden met beschikbaarheid van productielocaties voor bijvoorbeeld vergisters). Ook hier geldt dat dit in sommige regio’s een grotere rol zal spelen dan in anderen. Voor meer informatie zie scenariostudie Groengasproductie van CE-Delft.
Elektriciteit
Uitgangspunt is dat er landelijk voldoende elektriciteit aanwezig is voor de warmtetransitie. Hiermee wordt aangenomen dat de bron zelf geen belemmering in de elektrificatie van de verwarmingsvraag. Dat laat onverlet dat meer elektrificatie leidt tot een noodzaak voor meer duurzame opwek (en dus ruimtelijke impact) en meer regelbaar vermogen (om in de pieken te voorzien). Daarnaast is duidelijk dat het elektriciteitsnetwerk een beperkende factor vormt. Op dit moment zien we dat de vanuit vele kanten (mobiliteit, gebouwde omgeving en industrie) de vraag naar elektriciteitstransport zo snel toeneemt, dat de capaciteit van het elektriciteitsnet niet voldoende is om aan alle vraag te voldoen. Het is daarom belangrijk dat de actualisatie uiteindelijk een beeld oplevert van de vraag naar elektriciteit als bron voor de verwarming.
Door de inventarisatie ook te vertalen naar de totale som van energiebronnen per drager, wordt inzichtelijk waar een tekort en waar een overschot te verwachten is.
(2) Dit zijn bronnen die qua omvang / volume meerdere gemeenten kunnen bedienen. Bronnen die daarnaast ook hogere temperatuur hebben (>70graden) kunnen ook efficiënt over grotere afstanden (tot circa 50km) getransporteerd worden, zonder grote (transport)verliezen. Deze bronnen, voornamelijk geothermie en restwarmte, hebben daarmee een bovengemeentelijk karakter.
De geografische verdeling van vraag en aanbod
- Door inzichtelijk te maken wat de geografische verdeling van vraag en aanbod is, wordt ook inzichtelijk welke regionale afhankelijkheid er is om de vraag en aanbod met elkaar te verbinden.
- Inzicht krijgen in de verschillende netvlakken van het elektriciteitsnet en de status van netcongestie en de beoogde verzwaringsmaatregelen. Bijvoorbeeld Samen versnellen het regionale warmtenet is cruciaal voor de energietransitie in Holland Rijnland.
Nadere inventarisatie
Daarnaast kan het zijn dat in sommige regio’s een diepere inventarisatie wenselijk is. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de beantwoording van vragen, zoals:
- Hoe wordt de piekvraag bediend? En welke bronnen zijn hiervoor nodig? Wat betekent dit voor de regio? Zie bijvoorbeeld Onderzoek duurzame piek- en back-upvoorzieningen warmtenetten van regio Holland Rijnland (dat in samenwerking met regio Rotterdam/Den Haag is uitgevoerd).
- Hoe groot is het potentieel van groen gas productie? Waar zijn grondstoffen beschikbaar waar groen gas uit geproduceerd kan worden? Waar staan bestaande bestemmingsplannen productie toe? Of loopt het gesprek om bestemmingsplannen aan te passen? Wat is er nodig om productie tot stand te brengen? Hoe zou dit kunnen bijdragen aan nationale doelen en wat zijn de lokale koppelkansen3? Hoe kan regionale samenwerking de haalbaarheid van de warmtetransitie vergroten. Denk hierbij aan het actief delen van kennis, gezamenlijk onderzoeksvragen te laten uitvoeren, uitvoeringscapaciteit te bundelen. Denk bijv. aan 1 isolatieloket of het servicepunt duurzame energie in Noord Holland.