De stand van zaken

Wat is er bereikt, en wat staat er nog te doen?

Alle 30 RES-regio’s hebben inmiddels meerdere Voortgangsdocumenten opgesteld. Daarin beschrijft elke regio wat er is bereikt, waar knelpunten liggen en welke koers voor de komende jaren wordt ingezet. De afspraak is om de voortgang tweejaarlijks te rapporteren via het Voortgangsdocument (peildatum 1 juli, in 2023, 2025, 2027 etc). Dit is een belangrijk moment voor volksvertegenwoordigers om de balans op te maken. De informatie is zowel kwantitatief als kwalitatief van aard en gaat over opwek van elektriciteit, aansluitmogelijkheden op het net en beschikbaarheid van warmtebronnen.

Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) monitort de voortgang van de RES’en jaarlijks in de onafhankelijke RES-monitor. Die brengt in kaart of de 30 regio’s samen op koers liggen voor:

  • de door volksvertegenwoordigers vastgestelde gezamenlijke ambitie van 55 TWh grootschalige hernieuwbare elektriciteit op land;
  • het in het Klimaatakkoord opgenomen doel van tenminste 35 TWh in 2030.

Uit de meest recente PBL-monitor(1) blijkt dat het 35 TWh-doel in 2030 zeer waarschijnlijk wordt gehaald. De door volksvertegenwoordigers vastgestelde totaalbod van 55 TWh wordt zeer waarschijnlijk niet gerealiseerd. Tegelijkertijd droogt de pijplijn van nieuwe plannen op, onder meer door netcongestie, onzekerheid over regelgeving en prioriteit voor andere ruimtevragers als Defensie en woningbouw.

De elektrificatie van warmte, mobiliteit en industrie zet door, en daarmee blijft de behoefte aan duurzame opwek, netcapaciteit en warmte groeien. 2030 is dus geen eindpunt, maar een tussenstation. Wie nu alleen op de doelen van 2030 stuurt, loopt het risico dat de plannenvoorraad opdroogt en dat na 2030 opnieuw met achterstand moet worden begonnen. Het is daarom van belang dat besluitvorming en kaderstelling al rekening houden met de opgave die voorbij 2030 reikt.

Van sectorale opwek naar integraal energiesysteem

Het karakter van het RES-proces is de afgelopen jaren wezenlijk veranderd. In het begin was het voornamelijk een sectoraal energievraagstuk: hoeveel wind- en zonne-energie kunnen wij realiseren, en waar? Die focus heeft zijn vruchten afgeworpen. Maar de opgave is inmiddels breder: steeds meer partijen kijken samenhangend naar opwek, warmte, infrastructuur en de verhouding tot andere ruimtelijke opgaven zoals woningbouw, natuur en economische ontwikkeling.

Het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) geeft aan dat verdere stijging van het aanbod van duurzame elektriciteit en warmte, op zee én op land, nodig is tot 2050. Uitgangspunt is een CO₂-vrij elektriciteitssysteem in 2035. Het NPE gaat ervan uit dat de productie van hernieuwbare stroom op land in 2035 anderhalf keer zo hoog is als in 2030. Richting 2024 is ongeveer twee keer zoveel wind op land nodig als nu, en drie keer zoveel zon. Regio's vragen om een helder doel met handelingsperspectief voor wind en zon op land na 2030, als onderdeel van het hele energiesysteem. Dit werkblad sluit aan bij die bredere blik.