Artikelsgewijze toelichting bij modelverordening lokaal eigendom
Daar waar ‘gemeente’ staat in onderstaande tekst kan ook ‘provincie’ gelezen of ingevuld worden.
Algemene toelichting
De grondslag van deze verordening is artikel 6.12, derde lid, van de Energiewet. De begripsbepalingen uit artikel 1.1 van de Energiewet zijn dan ook van toepassing op deze verordening en worden daarom niet herhaald.
De gemeente [naam gemeente] vindt het belangrijk dat inwoners in brede zin de zeggenschap hebben over en profiteren van grootschalige energieopwek, die wordt gerealiseerd in hun omgeving. De ambitie voor het lokaal eigenaarschap kent als uitgangspunt 50 procent per project. Deze ambitie komt tot uitdrukking in het [naam beleid]. Naast dat dit streven is opgenomen in het beleid van de gemeente, maakt de gemeente de keuze om het streven naar 50 procent lokaal eigendom ook juridisch te borgen door middel van deze verordening.
Het kunnen profiteren van grootschalige energieopwek wordt ook wel financiële participatie genoemd. De [naam Participatieverordening] regelt onder andere de wijze van participeren in het kader van ruimtelijke besluiten. Financiële participatie is daar niet onder begrepen. Deze verordening en de participatieverordening sluiten dus op elkaar aan. Deze verordening biedt, anders dan de participatieverordening, geen toetsingskader bij (de procedure voor) het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet.
Bron:EnergieSamen
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1 Definities
Bij de ‘kring van partijen’ is aangesloten bij de mogelijke leden van een energiegemeenschap zoals in art. 2.4 van de Energiewet vermeld. Wat onder ‘kleine’ en ‘middelgrote’ ondernemingen wordt verstaan is opgenomen in de begripsbepalingen in art. 1.1 van de Energiewet. Onder ‘binding hebbend met’ wordt verstaan: bedrijven die hun verzorgingsgebied hebben of vinden in de gemeente of kern waar ze gevestigd zijn of zich vestigen én toegevoegde waarde bieden aan de sociaaleconomische structuur/voorzieningen.
Brievenbusfirma’s vallen niet onder de definitie van lokale ondernemers. Maatschappelijke instellingen wel.
Bewoners, ondernemers en/of lokale overheden (zoals beschreven bij de ‘kring van partijen’) kunnen zelfstandig of door middel van een energiegemeenschap eigenaar worden van de installatie. Daarbij kan het voorkomen dat een bewoner of een onderneming uit een andere gemeente binnen een straal van 10 keer de tiphoogte gemeten vanaf de voet van de windturbine woont. In dat geval worden zij op grond van artikel 1 ook gerekend tot de kring van partijen. Gemeenten zijn er vrij in overleg te voeren met buurgemeenten om eventueel over en weer elkaar te benoemen in de verordening.
Met de straalhoogte van 10 keer de tiphoogte wordt aangesloten bij de jurisprudentie van het begrip belanghebbende in het omgevingsrecht: gevolgen van enige betekenis kunnen aanwezig worden geacht binnen een afstand van tien keer de tiphoogte van de dichtstbijzijnde windturbine, gemeten vanaf de voet van de windturbine (ABRvS, 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616, Windpark de Drentse Monden en Oostermoer, r.o. 7; ABRvS, 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4198, Windpark Zeewolde, r.o. 7).
Lokaal eigendom is gedefinieerd als het juridisch en economisch (mede-)eigenaarschap van de installatie en het juridisch bezitten van een energieproject en de daarmee gegenereerde elektriciteit. Dit houdt in dat economisch bezien zowel de lusten als de lasten worden gedragen en dat er zeggenschap over de installatie is. Deze definiëring sluit aan bij de definitie opgesteld door het ministerie van Klimaat en Groene Groei in de monitor Financiële Participatie Hernieuwbare Energie op Land. Lokaal eigendom kan bestaan uit omwonenden of lokaal gevestigde ondernemingen die deelnemen in de Ontwikkelings B.V. door middel van bijvoorbeeld een lokale energiegemeenschap of een directe investering door grondeigenaren of lokale overheden.
Artikel 2 Toepassingsbereik
Dit artikel regelt het toepassingsbereik van de regels uit deze verordening. De verordening is van toepassing op de aanleg of uitbreiding van grootschalige installaties voor de opwek van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen. De facultatieve sub-bepalingen in het tweede lid benoemt specifiek zonnepark en windturbine als hernieuwbare bron. De Energiewet hanteert een bredere definitie. In de Regionale Energiestrategie (hierna:RES) zijn specifieke afspraken gemaakt omtrent zon en wind, om meer draagvlak te creëren. Daarom zijn deze hernieuwbare bronnen al opgenomen in de verordening in onderdeel a en b van het tweede lid.
Wat onder grootschalige installaties voor de opwek van elektriciteit wordt verstaan kan door de gemeente worden ingevuld. Met het invoeren van een drempel worden kleinere windturbines of zonnevelden die zijn aangelegd voor eigen gebruik uitgesloten van het toepassingsbereik van deze verordening.
Artikel 3 Inspanningsverplichting lokaal eigendom
Eerste lid
In het eerste lid is een inspanningsverplichting opgenomen: bij de aanleg of uitbreiding van de installatie, bedoeld in artikel 2, moet de producent streven naar 50 procent lokaal eigendom. Er wordt geen resultaatsverplichting opgelegd, omdat niet kan worden afgedwongen dat de lokale omgeving mede-eigenaar wil zijn van een dergelijke installatie. De producent moet echter wel aantonen dat hij zich afdoende heeft ingespannen om 50 procent lokaal eigendom te realiseren.
Tweede lid
Van de producent wordt een aantoonbare inspanning verwacht. Het opmerken dat bij een informatieavond met omwonenden geen animo was voor lokaal eigendom volstaat bijvoorbeeld niet. De producent moet een deugdelijke motivering aanleveren waaruit blijkt dat ondanks de verrichte inspanningen, niet genoeg interesse was vanuit de lokale omgeving. Bij een georganiseerde vorm van personen en ondernemingen zoals genoemd in dit lid onder a, kan gedacht worden aan bijvoorbeeld een wijk- of dorpsraad of een bestaande lokale energiecoöperatie of energiegemeenschap.
Verder is in het tweede lid een niet limitatieve opsomming opgenomen van voorbeelden wanneer er in ieder geval geen sprake is van gegronde redenen waardoor lokaal eigendom niet haalbaar zou zijn geweest. Daarbij kan worden gedacht aan een onrealistische termijn voor de instap van één of twee weken of een inkoopregeling met dermate hoge inkoopprijzen dat deze niet in een paar jaar terug te verdienen zijn uit de opbrengsten van het energieproject danwel op voorhand financieel minder aantrekkelijk is dan als men niet zou deelnemen in het lokale eigendom. Tot slot dient ook een verantwoord rendement te worden geboden en dient het instapbedrag niet te hoog te zijn voor huishoudens uit de omgeving.
Artikel 4 Motivering inspanningsverplichting lokaal eigendom
De producent is verplicht voorafgaand aan het verrichten van de bouwactiviteit voor de aanleg of uitbreiding van een grootschalige installatie voor de opwek van elektriciteit uit [hernieuwbare bronnen OF zon of wind] aan het college te motiveren hoe is voldaan aan de inspanningsverplichting tot het streven naar lokaal eigendom. Het gekozen moment is een uiterste moment dat de producent de inspanningsverplichting moet aantonen. Bij voorkeur gebeurt dit eerder, omdat logischerwijs dan alle afspraken rondom financiële participatie zijn vastgelegd. Het ligt voor de hand dat het college de producent vervolgens informeert of aan de inspanningsverplichting is voldaan.
Deze bepaling sluit aan bij artikel 6.12, derde lid, van de Energiewet (Kamerstukken II 2023-2023, 36378, nr. 23, Amendement lid Rooderkerk). Het artikel biedt geen grondslag voor het verzwaard afleggen van verantwoording als wél 50 procent lokaal eigendom is behaald (zie artikel 6.12, derde lid, sub c Energiewet en artikel 4, eerste lid, onder c van deze verordening).
Artikel 5 Gegevens en bescheiden motivering
In dit artikel is omschreven welke gegevens en bescheiden de producent moet aanleveren voor de motivering van de inspanningsverplichting. In het eerste lid wordt opgesomd welke stukken nodig zijn om de inspanning te motiveren die de producent heeft geleverd voor het streven naar lokaal eigendom.
Daarbij kan een geografische kaart als hulpmiddel dienen om de lokale omgeving die benaderd is af te bakenen. Verder kunnen gegevens door middel van onderstaand tabel gestructureerd worden aangeleverd:
In het tweede lid is opgenomen welke stukken de producent moet aanleveren om het percentage lokaal eigendom te onderbouwen. Deze verplichting geldt ook als 50 procent lokaal eigendom wél wordt behaald.
De vereiste stukken zijn een overzicht van de afspraken die zijn gemaakt met de lokale omgeving in de vorm van een samenwerkings- of omgevingsovereenkomst waarin de gemaakte afspraken over lokaal eigendom zijn vastgelegd. Daarnaast wordt een projectstructuurbeschrijving met daarin de financiële- en eigendomsstructuur en de verdeling van de eigendoms- en zeggenschapsverhouding aangeleverd. Hierin is ook opgenomen wie de zeggenschap heeft over (welk deel van) de geproduceerde stroom. Verder bevat het een overzicht van de afspraken die zijn gemaakt over welke kosten door wie worden gedragen, een overzicht van de taakverdeling en de overeenkomst tussen de producent en de kring van partijen. Lokaal eigendom houdt in dat de kring van partijen in alle opzichten betrokken kan zijn bij de ontwikkeling, dat is dus niet puur financieel. Het is van belang dat de kring van partijen onderdeel is van het besluitvormingsproces en de ontwikkeling van het park. De gevraagde stukken geven inzicht in de onderlinge verhouding tussen de kring van partijen en de producent.
In het geval dat de producent niet 50 procent lokaal eigendom heeft behaald, wordt in het derde lid stukken gevraagd ter onderbouwing waarom 50 procent lokaal eigendom niet is behaald en welke andere vormen van financiële participatie zijn toegepast. Uit de stukken over de haalbaarheid van 50 procent lokaal eigendom moet de producent deugdelijk motiveren dat deze ondanks alle verrichte inspanningen niet haalbaar was.
Artikel 6 Sanctiebepaling
Deze bepaling is gebaseerd op artikel 154 van de Gemeentewet. Deze sanctie kan opgelegd worden naast de bestuursrechtelijke bevoegdheden van de gemeente voor het eventuele toepassen van een last onder dwangsom als bedoeld in titel 5.3 van de Algemene wet bestuursrecht (een herstelsanctie).
Artikel 7 Inwerkingtreding en citeertitel
De wettelijke grondslag voor deze verordening is opgenomen in artikel 6.12, derde lid, van de Energiewet. Daarom treedt deze verordening gelijktijdig in werking met de Energiewet, zoals opgenomen in het eerste lid.
De Energiewet treedt in werking op 1 januari 2026 (zie Koninklijk Besluit 17 februari 2025, Stb. 2025/40).